
Kleine waarschuwing: dit is een ontzettend goor verhaal. Met veel poep, krentenbaard, luizen, snot, overgeven en nóg meer poep. Dát had niemand je verteld, toen je moeder werd.
“GADVERDÁMME.” VOOR DE EERSTE KEER IN 45 jaar zag ik er eentje in het echt. Een luis. En bij de tweede haal door het tot dan toe maagdelijke haar van mijn zoontje zaten er nog twee op de kam.
“Sorry mama”, zei hij met een bange stem.
‘”Nee joh, daar kan jij niks aan doen”, probeerde ik opgewekt, want hij kón er ook niks aan doen. Om de haverklap verscheen in de klassenapp ‘Luizenalarm!’, maar godallemachtig wat vond ik dit vies. Meer kwam ik er gelukkig niet tegen, zelf had ik er één. En vier neten. De fantoomjeuk hield nog weken aan. Een jaar later is het bijna elke maand bal, maar mijn zure oprispingen worden er niet minder op en de irritatie ook niet: welke kleine brandhaard in zijn klas blijft de boel besmetten? Dat zullen alle ouders wel denken. Niet alleen bij ons in Hilversum, maar in het hele land en ook niet alleen inzake luizen. Bij het moederschap krijg je immers een enorme lijst cadeau met de meest weerzinwekkende medische kwaaltjes. De ellende begint voor de meesten op de crèche. Je levert op de eerste dag een gezond blozende baby af en beseft nog niet dat jouw kind daar blootgesteld gaat worden aan de veteranen: peuters die als wandelende ziektebronnen hun krentenbaard, verkoudheden, buikgriep, en alles waarvoor ze niet ingeënt kunnen worden, via knuffelbeesten of ondergekwijld speelgoed uitserveren aan alle andere zieltjes op de groep. Het voordeel is dat tegen de tijd dat je kind naar school mag, je een dochter of zoon aflevert met een dijk van een immuunsysteem. De nadelen zijn minder florissant. Je bent zelf ook zo’n drie jaar continu ziek geweest én je hebt geleerd dat het ouderschap een donkere kant heeft: de echte, pure viezigheid waarvan het jouw taak is om ermee te dealen. Niet omdat je dat wilt, maar omdat het moet.
Iedere moeder – ik spreek van moeders en niet vaders, omdat die laatsten overdag doorgaans meer betaald werk buitenshuis dan kinderzorg verrichten en ach, er zijn nu eenmaal meer vrouwen die LINDA. lezen dan mannen – ontdekt in de loop der jaren haar eigen top 3 van kan-ik-echt-niet-aan’s.
Mijn persoonlijke fobie is snot. Godzijdank heb ik een zoon gekregen die niet al vanaf zijn geboorte met een chronische lekneus rondloopt. Maar die kinderen zijn er wel en ze komen spelen ook. Het wordt minder naarmate ze ouder worden, edoch staan ze voor altijd op mijn netvlies gegrift. Dan kwam er weer eentje mee uit school met zo’n krokante neus, waarin steeds verse groene lava voor nieuwe afzettingen zorgde. ‘Henkie komt spelen’, zei Luuk dan opgewekt en dan zag ik Henkie met die twee aangekoekte grotjes ook blij kijken en kon ik alleen maar denken: niet op de bank, níét tegen me aanleunen en nee, we gaan zeker geen koekjes bakken.
Het grootste horrorverhaal, ik krijg het bijna niet op papier, is toch van de moeder die met een snotverkouden baby op het terras zat en het geveeg met tissues zat was. Ze zette haar mond op het kleine neusje en zoog het snot eruit. Ik. Kon. Niet. Meer.
Andere moeders hebben het met poep. Het is logisch dat er kak uit een kind komt, gezond zelfs, iedereen die junior-obstipatie heeft meegemaakt kent daar weer de problemen van. Maar het is zo jammer dat normaal poepen een leerproces is. Die luiers? Fijn is anders, maar soit (behalve als ze knoflook hebben gegeten). Met je baby in bad en dat ze altijd precies gaan poepen als ze het water raken, zodat je in een soort bouillon met ballen zit? Lekker is anders, maar dan zijn ze nog zo klein. De ellende komt daarna, als ze soort van zindelijk zijn en de klok hebben horen luiden, maar de klepel nog niet kunnen vinden. Een vriendin: “Er kwam een meisje bij ons spelen, ze moest naar de wc. Na een paar minuten kwam ze weer naar buiten met allemaal poep aan haar handen. Het wc-papier bleek op, dus had ze het maar zo gedaan. De muren, de wasbak, alles zat onder omdat ze daar ook haar handen aan had afgeveegd. Ik werd gek.”
Sowieso schromen vriendjes en vriendinnetjes niet om er buitenshuis eens lekker voor te gaan zitten, vaak na de al even onbezorgde mededeling ‘Ik moet poepen’. Dat vind ik iets ontzettend liefs hebben, alsof ze zich kennelijk zo thuis voelen dat ze dat gewoon durven. Het gros van de volwassenen doet dat alleen als het echt, écht niet anders kan. Nee, dan kinderen, die denken niet na over remsporen of luchtjes, sterker: ze voelen zich vrij genoeg om ook niet door te trekken. Dat doen de mama’s wel.
Zelf herinner ik me nog goed hoe ik mijn zoon en een vriendje trakteerde op een middag speeltuin in Oud-Valkeveen en beiden opeens waren verdwenen. Ik vond ze terug bij de wc’s, het vriendje had zich opgesloten. Na eindeloos overleg deed hij de deur open met de mededeling dat hij in zijn broek had gepoept. Dat was een understatement. Hij had voor volk en vaderland gescheten, aan mij de schone taak om met die harde papieren handdoekjes het jong van zijn middel tot sokken op te lappen. En mee naar huis te nemen, in een bloedhete auto, het duurde dagen eer de stank een beetje uit de bekleding was.
Om nog even in de anale hoek te blijven, want ook die jongens komen we allemaal wel een keer tegen: aarsmaden. Het woord alleen al – doe dan maar wurmen – maar liever helemaal niet, want het betekent dat een kind inwendig gaat krabben, vaak ’s nachts in bed. En probeer zo’n overnight finger maar eens echt schoon te krijgen voor school begint. Of als je kind aan het wisselen is en zijn losgeschoten tand per ongeluk inslikt. Mama zoeken. Alsof je een next level uilenbal uit elkaar zit te trekken (en toch trots zijn als je ’m vindt). De derde vaste kandidaat in de top 3 is kots. Het lastige daarvan is alleen dat misselijk zijn het aller-, allerzieligste is en je simpelweg niet boos kunt worden als de boel bij zo’n kleintje naar boven komt.
PROBEER DE
EERSTE MAAND GRATIS
- Exclusief voor LINDA.abonnees
- Lees LINDA.magazine online
- Aangevuld met exclusieve interviews en verhalen
- Toegang tot exclusieve kortingen en winacties
- Maandelijks opzegbaar