Persoonlijk Verhaal

‘Voor ik het weet, sta ik op volume tien te krijsen dat hij die zwijnenstal moet opruimen’

Hoe kan het toch dat ze heel lang heel veel kan hebben, en dan opeens uit elkaar spat van woede om iets futiels? Journalist Suus Ruis (48) gaat op zoek naar wat meer balans in haar emotionele huishouding.

OP EEN DOODGEWONE DINSDAGAVOND loop ik de kamer van mijn veertienjarige zoon binnen voor de dagelijkse PlayStation-countdown (“Nog een halfuur!”). Ik pak een schaaltje met een laagje vla van zijn nachtkastje en als ik weg wil lopen, stap ik met mijn blote voet in iets glibberigs (een stuk komkommer uit een omgevallen broodtrommel blijkt). Ik schrik zo dat het schaaltje vlaresten met een grote boog omgekeerd op de grond belandt. Voor ik het weet, sta ik op volume tien te krijsen dat ik ‘altijd alles alleen moet doen’, dat ‘hij die zwijnenstal een keer moet opruimen’ en dat ‘de radioactieve straling in zijn kamer erger is dan in Tsjernobyl’.
Een totaal buitenproportionele reactie natuurlijk, maar op het moment zelf zie ik dat niet. Is mijn ontploffing het gevolg van een bijna leeg bakje vla, een stapel vuile was en acht miljard snoeppapiertjes, chipsverpakkingen en lege Fanta-blikjes? Natuurlijk niet. Ik ben al een keer of twintig die kamer binnengelopen, die eruitziet alsof iemand een handgranaat naar binnen heeft gegooid, zonder iets te zeggen. Elke keer als ik over onherkenbare voedselresten of nieuw gekweekte flora en fauna heenstapte, hield ik braaf mijn mond om de goede sfeer niet te bederven. Iedereen weet dat tieners opvoeden een kwestie van pick your battles is. Maar de irritatie die ik voel over die zooi ben ik niet kwijt als ik zijn deur achter me dichttrek, ook al denk ik op dat moment van wel. Mijn interne computer houdt keurig de score bij en slaat het ergens op. Als het maar vaak genoeg is gebeurd, komen alle keren dat ik op mijn tong heb gebeten er in één keer uit. Met rente. Vaak houd ik mijn mond voor de lieve vrede. Soms zeg ik niets omdat ik dat niet durf.
Ik had ooit een schoonmaakster die deed alsof mijn huis het hare was. Ze zette spullen anders neer omdat ‘het zo beter stond’, begon haar werk met een tergend lange koffiepauze en las me overal de les over. Ik probeerde een paar keer heel voorzichtig te zeggen dat ik het lastig vond dat ze altijd een kwartier te vroeg kwam. En dat ze, vanwege alle pauzes en haar vroegtijdige vertrek, effectief maar de helft van de tijd echt aan het werk was. Maar ze reageerde zo giftig, dat ik het verder maar liet. Hoewel ik inwendig kookte als ze binnenkwam terwijl ik nog tandenpoetsend in m’n onderbroek in de gang stond, bleef ik aardig. En plakte ik een mentale post-it als ze weer eens twintig minuten te vroeg naar huis ging. Tot de dag dat ik heel dapper appte dat ik het fijn zou vinden als ze deze keer niet te vroeg zou komen. Ze snauwde terug dat ze geen invloed had op de stoplichten onderweg, ze woonde driehonderd meter verderop, dus dat ze wel zou zien. Het schoot me zó in het verkeerde keelgat dat ik trillend van woede een bericht terugstuurde, waarin ik aangaf dat ik er helemaal klaar mee was en dat ze nooit meer hoefde te komen.

Waar mijn zoon mijn ontploffingsgevaar kent en er niet zo erg vanonder de indruk is, moet het voor haar een schok zijn geweest dat ik als een Vesuvius uitbarstte. Ik zei immers nooit iets, althans, niet écht. Ik slikte mijn ergernis week na week in of maakte een sarcastische opmerking als: “Zo, jij bent er weer lekker op tijd bij vandaag.”
Isa (45) herkent het volledig. Zij is ook van de mentale post-its, hoewel in de praktijk alleen haar man en kinderen er last van hebben.
“Bij mij zijn het onbenullige dingen die zich opbouwen. Ik heb het vooral met rommel die niet wordt opgeruimd”, vertelt ze. “Ik stoor me in stilte tien keer aan lege glazen, schoenen die overal zijn uitgeschopt en halflege bakjes chips. De elfde keer gaat het deksel eraf. Dan schreeuw ik heel ongenuanceerd verwijten naar mijn gezin. Ik haal er van alles bij. Dat doe ik ook als ik al een paar keer aan mijn man heb gevraagd of hij het vuilnis naar buiten wil brengen en het er nog steeds staat. Woest kan ik daarvan worden. Op dat soort momenten sla ik ook graag met deuren – en als het naar mijn idee niet hard genoeg was, sla ik hem gewoon nog een keer dicht. Als ik op deze manier ontplof, moet ik me terugtrekken op de slaapkamer. Of ik ga even wandelen of autorijden. Ik zou eerder en duidelijker mijn grenzen moeten aangeven, dat is mijn probleem. Niet voor niets heb ik ooit een burn-out gehad.”
‘Zegeltjes sparen’, noemt psycholoog Anne de Jong, oprichter en mede-eigenaar van coachingbedrijf Nonons het. In haar bestseller De Geluksroute besteedt ze er uitgebreid aandacht aan. “Zegels sparen is het verzamelen van kleine ergernissen en teleurstellingen”, legt ze uit. “Je wordt heus niet woedend als iemand één keertje te laat komt. Er zit altijd een herhaling in. Het zijn minidingen die je al langer voor een ander doet of laat, of door de vingers ziet. Eigenlijk hebben alle conflicten te maken met zegeltjes sparen.”
Blijkbaar doen we het dus allemaal. Wat het lastig maakt, is dat het volgens Anne vaak onbewust gaat. Vaak ben je al geïrriteerd op het moment dat je in de gaten krijgt dat je iets niet prettig vindt. “Of misschien is het je wel opgevallen, maar heb je er lange tijd niets bij gevoeld”, zegt ze. “Ik had een vriendin die ineens in het niets kon verdwijnen. Ik heb dat heel lang gebagatelliseerd. Joh, zo is ze nu eenmaal. Maar elke keer dat ze weer een periode ‘onderdook’ plakte ik een zegeltje, het irriteerde me mateloos. Op een gegeven moment is de maat dan vol en ontplof je.”
Dat is volgens De Jong echter zeker niet de enige manier waarop het volle zegelboekje kan worden ingewisseld. ‘Jaknikkers’ doen het anders. Het zijn de mensen die hun grenzen niet, niet duidelijk of te laat aangeven en in de regel veel voor andere willen betekenen. Zij hebben bijvoorbeeld de neiging om stil afscheid te nemen. Ze verbreken schijnbaar vanuit het niets ineens een vriendschap, nemen ontslag of vragen een echtscheiding aan.

TRENDING