Achtergrond

‘Geluk kan blijkbaar niet zitten in met je blote voeten door ochtendgras lopen'

‘Keer op keer blijkt uit onderzoek dat we niet gelukkiger worden van de grote dingen. Van verre reizen, volle kledingkasten, veel geld, spectaculaire feestjes. Toch blijven de meesten van ons dat najagen. En waarom toch? Het geluk zit ‘m vaak in het kleine.

In de lente schijnt ’s ochtends de zon op mijn balkon. Eerder deze week zat ik er even voor dat de rest van het huis wakker werd. Het was onbewolkt en ik hield mijn ogen een beetje dichtgeknepen tegen het licht. Ik luisterde hoe er naast me af en toe een waterdruppel naar beneden viel; van de planten spatten ze op het tafeltje en van daaraf op de grond. Het klonk vrolijk. Ik had de planten net water gegeven. Met mijn gieter was ik heen en weer gelopen: balkon, woonkamer, keuken, woonkamer, balkon. Mijn voeten voelden steeds iets anders – de tegels buiten, de houten planken in de woonkamer, het zeil in de keuken – en ik had me een kort moment gerealiseerd hoe fijn ik het vind om op blote voeten te lopen. Daarna was ik gaan zitten met een koffie, in een beker zonder oor waar ik twee handen omheen kan vouwen. Beneden op straat reed een fietser. Ik hoorde zijn kratje rammelen en dacht aan mijn eigen fietskratje dat ook een tijdje zo rammelde, maar nu stevig vastzit aan het frame. Meer gebeurde er niet. Dat was het. Maar het was fijn. Ik genoot. Van bijna helemaal niets.
Ik ben daar goed in, genieten van kleine dingen. Ik kan genieten van pasgelakte teennagels. Van synchroon draaiende windmolens. Van goede gesprekken. Van een tafel gedekt met een tafellaken en servetten. Van kansverdelingsdiagrammen. Van uitzicht vanaf iets hoogs. Van onweer. Van plattegronden wanneer ze kloppen. Van nieuwe dingen leren. Van autorijden met alle ramen open. Van gras. Van filmtrailers. En van lachen. Vooral van lachen.
Hoeveel heb je eigenlijk nodig? Keer op keer blijkt uit onderzoek dat we niet gelukkiger worden van de grote dingen. Van verre reizen, volle kledingkasten, veel geld, spectaculaire feestjes. Toch blijven de meesten van ons dat najagen en slagen we er telkens opnieuw in om elke maand ons geld op te maken terwijl we toch jaarlijks een salarisschaal omhooggaan. We willen meer, groter, beter. Waarom is dat toch?

Later die ochtend – de waterdruppels waren snel verdampt – dronk ik nog een koffie. Met Eva, mijn vriendin. Ook zij jaagt de grote dingen na: ze is net van baan geswitcht en heeft haar verdere ambities precies op een rijtje: eerst verbouwen – “Ik wil echt een inloopdouche” – dan verhuizen naar een huis met een tuin en daarna een hond. Haar toekomstige auto had ze juist een uur daarvoor op straat zien staan. Met haar handen bootste ze de vorm na, rond hier, recht daar. Haar ogen glunderden. Volgens Eva wordt dit gedrag – naar voren kijken, meer willen – ons aangeleerd. We krijgen nooit te horen dat het leven goed is zoals het nú is. Integendeel, er wordt ons van jongs af aan verteld dat het straks pas goed is. In de toekomst. Later. Tot die tijd ben je altijd ergens naar op weg, is er altijd iets om na te streven. Eerst moet je naar school en daarna eigenlijk nog meer naar school. Vervolgens is het de bedoeling dat je een baan vindt. En een huis. Een partner. Dan wordt het tijd voor kinderen. Een betere baan. Een nog betere baan. Een groter huis. Een nog groter huis. En pas dan, als je alle hordes hebt genomen, als je alles hébt, pas dan zul je gelukkig zijn. Geluk, leren we, is nooit iets van nu. Geluk kan niet zitten in een pas verschoond bed.
Ik herinner me nog goed hoe een andere vriendin van mij, Paulien, na de geboorte van haar tweede kind tegen me zei dat ze nu niets meer had om naar uit te kijken. Ze had een huis, was getrouwd en had kinderen gekregen. Alle hoogtepunten in haar leven had ze al gehad, vond ze. Ze was begin dertig. Misschien zou er nog een leuk feestje komen hier en daar, maar wat had het allemaal nog voor zin? Een paar jaar later trouwde ze met een ander. Er kwam ook nog een kind. Ook zij had het regelmatig over een nieuwe auto. Paulien kon niet genieten van wat er nú was. Van al het kleine. Eva daarentegen kan dat wel: het grote nastreven, maar ondertussen stilstaan bij wat er fijn is in haar leven. Ze praat net zo enthousiast over een wandeling in haar eentje ergens langs een weiland als over de designstoel die ze zojuist besteld heeft. Eva gaf me na de koffie het telefoonnummer van Arthur Nieuwendijk. Ze zit elke week bij hem op een matje. Arthur is gepromoveerd in de filosofie, maar is daarna fietsenmaker geworden en vervolgens zenleraar. Hij heeft het ‘nu’ goed in de vingers.
Volgens Arthur is het najagen van ‘meer’ iets heel ouds, iets wat te maken heeft met onze overlevingsmodus. Hij zegt: “Stel je voor, je leeft in een tijd die inmiddels ver achter ons ligt. Je zit in je grot, je hebt iets gevangen die dag en je bent dus blij dat je iets te eten hebt, genoeg voor vandaag en misschien zelfs voor morgen. Als je het eten bereidt, zie je opeens een bizon voorbijkomen. Daar ga je dan toch achteraan, want je denkt: dan heb ik over twee dagen ook te eten. Je gaat op zoek naar meer dan je op dat moment nodig hebt. Dat is verstandig, want je weet: er komt een periode van tekort. Dat was nou eenmaal zo in die tijd. Nu is dat anders: er is overvloed. Maar het lijkt erop dat we in de basis nog steeds dezelfde bedrading hebben als toen. Iets wat een belofte van geluk in zich draagt, daar gaan we achteraan, ook al is dat wat we hebben ruim voldoende. Het is een soort tredmolen: ook als je iets bereikt, blijf je gespitst op het volgende. Je blijft maar lopen.”

TRENDING