Je staat in de keuken, gooit wat pasta in de pan en eindigt steevast met een berg teveel. Herkenbaar? Geen zorgen, je bent niet de enige. Hoe komt het toch dat we vaak te veel pasta koken?
En vooral: wat is dé truc om daar vanaf te komen?
Inschattingsfout
Het is niet bepaald hogere wiskunde, want de reden dat we vaak te veel pasta koken is simpelweg omdat het opzwelt tijdens het koken. Wat in droge vorm een bescheiden portie lijkt, kan na bereiding een flink bord vullen. Dit maakt het lastig om op het oog de juiste hoeveelheid te bepalen.
Omdat we liever iets te veel dan te weinig op tafel zetten, gooien we voor de zekerheid vaak nét wat extra pasta in de pan. Gevolg: restjes en verspilling. Zonde natuurlijk. Het Voedingscentrum raadt daarom aan om vooraf goed af te meten, zodat je precies kookt wat je nodig hebt.
Nooit meer te veel pasta
De meest voorkomende manier om niet meer te veel pasta te koken, is natuurlijk: wegen. Voor een hoofdgerecht zit je met 100 tot 125 gram droge pasta per persoon meestal goed, en voor kinderen of kleinere eters is 80 gram vaak al voldoende. Superprecies, maar ja — daar hebben we lang niet altijd zin in.
Gelukkig is er voor lange pastasoorten zoals spaghetti een nog veel makkelijkere oplossing: de spaghettimeter. Dat is zo’n handig hulpmiddel met ronde gaten per portie. Even je pasta erin steken en je weet precies hoeveel je moet koken. Scheelt niet alleen gedoe, maar ook een berg restjes.
Spaghettimeters inslaan
Waar je zo’n ding vandaan haalt? Nou, bijvoorbeeld hier.